7 vragen aan: ecofeminist Wendy Wuyts

Welke verhalen van een stad blijven onzichtbaar als we alleen naar bepaalde mensen kijken? Met deze vraag houdt Wendy Wuyts zich bezig, als postdoctoraal onderzoeker aan de TU Eindhoven én ecofeminist.  Zij kijkt naar de stad als een geheel van relaties: tussen inwoners, politiek, planten, dieren, bodems, water en licht. Vanuit die blik onderzoekt ze hoe we zorgzamer kunnen samenleven met zowel menselijke als niet‑menselijke stadsgenoten.

“Je ziet dat cocreatie vaak terugkomt, maar je moet ook kunnen communiceren in een andere taal om te begrijpen wat een ander wil of denkt.”

Een gesprek met Wendy Wuyts, Postdoc Urbanism, TU Eindhoven en gecertificeerd bostherapiegids

Fotograaf: Vitalija Povilaityte-Petri

Hé Wendy, wie ben jij, en op welke manier ben jij in je werk bezig om samen de stad te maken?

Ik ben lokaal bezig, maar ook globaal verbonden via netwerken rond bijvoorbeeld ‘ecologies of learning practices’ in de Baltische Zee-regio. Daar experimenteren we met methodes en pedagogieën die mensen bewust maken van niet-menselijke natuuractoren, bijvoorbeeld via bosbaden. Dat betekent: naar buiten gaan, het bos in, de hei op, het strand op, zelfs de stad in en bewust verbinding zoeken met niet-menselijke natuur door te observeren en te luisteren. Voor mij wordt dat nog krachtiger als je het combineert met storytelling: verhalen die helpen om bomen, bodems, dieren en weersverschijnselen als medestadsbewoners te zien.

Daarnaast werk ik vier dagen per week als postdoctoraal onderzoeker aan de TU Eindhoven, op het snijvlak van urbanisme, stedelijke transitie en wat ik ‘ecologies of care’ noem: zorg voor het ecosysteem van de stad.

Samen de stad maken betekent vooral dat het moet groeien vanuit lokale verhalen, plekken en context, met respect voor biocultureel erfgoed én ruimte voor nieuwe verhalen, dieren, planten en mensen.

 

Als je niet aan het werk bent: waar en met wie bouw jij dan aan jouw stukje wereld?

Daarnaast woon ik in Minitopia Poeldonk, een natuurinclusieve circulaire buurt in Den Bosch, ontstaan vanuit een bottom-up benadering, waar ik als bewoner aan bijdraag. Ik woon in een circulair houten tiny house. In Minitopia hebben we een gemeenschappelijk punt met enkele wasmachines en een leenkast en een actieve WhatsApp-groep. Ook organiseren we drie keer per jaar klusjesdagen waar we dingen in de openbare ruimte van onze straat herstellen of schoonmaken. Momenteel hou ik een dagboek over de relaties met andere dieren en planten. Met enkele bewoners zijn we bezig aan een inventaris van dieren, planten en verhalen van andere straatbewoners over natuurverbinding en ecosysteemdiensten die niet-menselijke straatbewoners, zoals de mol en een berk, leveren. Binnenkort volgt er groot een informatiebord met een ecologische verhalenkaart. In de komende maanden organiseren we meer activiteiten, zoals bosbaden, ecologische wandelingen en creatieve workshops. Deze zijn niet alleen bedoeld voor straatbewoners, maar ook voor buren en andere geïnteresseerden. Daarnaast documenteren we de lessen die hieruit voortkomen, zodat planners, architecten en anderen deze kunnen gebruiken bij het ontwerpen, plannen en onderhouden van een meer natuurinclusieve buurt.

 

Wat betekent cocreatie voor jou, en hoe herkennen anderen dat als ze met jou samenwerken?

Je ziet dat cocreatie vaak terugkomt, maar je moet ook kunnen communiceren in een andere taal, begrijpen wat een andere persoon wil of denkt. Voor mij betekent dat verhalen observeren, met verschillende mensen praten en bewust verschillende perspectieven verzamelen. En altijd goed kijken naar de relaties daartussen.

Daar speelt (eco)feminisme ook een rol in, ik zit vooral bij de vierde golf: kruispuntdenken.  Ik kijk niet alleen naar gender of biologische sekse, maar ook naar andere identificaties en machtsposities. Zoals het feit dat ik een witte vrouw ben, ik ervaar de wereld anders dan bijvoorbeeld een zwarte vrouw. Iedereen beleeft de stad anders, dus het vraagt veel meer aandacht om steeds te denken: hoe is de belevingswereld voor andere mensen, dieren en planten? Juist in biodiversiteit en culturele diversiteit zit onze kracht.

 

Hoe zorg jij ervoor dat al die verschillende invalshoeken niet alleen gehoord worden, maar ook echt landen in het eindresultaat?

Ik werk veel met storytelling. In bijeenkomsten doen we bijvoorbeeld rondes waarin deelnemers een dier, plant of natuurfenomeen meenemen en daar een herinnering, wetenschappelijk feit of stukje folklore over delen. Zo leren mensen een ecosysteem kennen, en krijgt zonlicht, een boom of een dier een plek in het gesprek en in het ontwerp van zorgzame steden.

Daarnaast gebruik ik formats als sciencefiction workshops. Deelnemers verbeelden een circulaire stad in 2050, maar kiezen als hoofdpersonage bijvoorbeeld een eekhoorn. Juist door buiten je eigen referentiekader te stappen, ontstaan nieuwe inzichten.

 

Wat is jouw grootste les over samenwerken, eentje die je andere professionals gunt om eerder te leren?

Ik heb geleerd dat het belangrijk is om fouten te durven maken, ze te erkennen, en hardop uit te spreken dat je wilt blijven leren.

Je leert het meest door ontmoetingen. De belangrijkste les voor cocreatie is om goed voorbereid te zijn voor echte ontmoeting. Die momenten kunnen ook emotioneel complex zijn, vooral als je verschillende identiteiten, ervaringen en belangen samenbrengt.

En daarop voortbordurend: wees helder over je rol. Stap je in als facilitator, dan vraagt dat om balans tussen neutraliteit en ruimte geven aan wat er leeft. Dat begint bij jezelf: weten wat jouw rol is, waar je grenzen liggen en wanneer je even moet pauzeren.

 

We staan voor grote maatschappelijke vraagstukken. Wie of wat wens jij als eerste een beetje meer cocreatie toe?

Gemeenten en regio’s laten nog veel kansen liggen. Niet uit onwil, maar doordat leerstructuren ontbreken en communicatie vaak te laat op gang komt. Zo groeit de kloof tussen overheid, corporaties en bewoners. 

Wat nodig is? Echte ruimte voor ontmoeting. Niet alleen een plek, maar ook de sociale infrastructuur eromheen: van uitnodigingen tot gesprekken. Meer tijd en aandacht voor fysieke ontmoeting, zodat we weer leren om met elkaar én met de meer-dan-menselijke stad in dialoog te zijn.

 

Tot slot de kettingvraag van Jeroen van Baar: Hoe kijk je naar de paradox dat een overheid of gemeenten cocreatie wil stimuleren terwijl cocreatie ook vraagt om initiatief dat van inwoners zelf ontstaat?

Ik zie dit niet als een paradox. Cocreatie is multischalig en kan worden gesplitst in cocreatie en coproductie, waarbij cocreatie meer afspeelt op het strategische, overkoepelende: het bouwen van zorgvolle infra(structuren) en de rauwe randjes van de zandbakken waarbinnen gespeeld kan worden door inwoners. Coproductie is waar dingen daadwerkelijk gerealiseerd en afgewerkt worden. Gemeenten, met hun bredere helikoperview, kunnen voor sociale infrastructuren zorgen, waar ideeën van inwoners kunnen uitgroeien of waar inwoners gratis sommige vaardigheden kunnen oefenen, zoals beter communiceren (luisteren), omgaan met spanningen en conflicten die zo typisch zijn aan cocreatie, maar ook samenleven in diverse werelden.  Het betekent ook dat gemeenten aanvragen voor kleine budgetten door bewoners niet te moeilijk maakt, met niet te veel criteria, en ook niet met dezelfde standaarden evalueert als bijvoorbeeld architectenprojecten.

 

Meer inspirerende professionals ontmoeten? De cocreatieclub brengt publieke professionals samen die geloven dat de beste oplossingen ontstaan wanneer alle stemmen aan tafel zitten. Schuif jij ook aan bij één van onze ccclubavonden?

Volgende
Volgende

Leestip: ‘De Onzekerheids-epidemie. Hoe we overeind blijven in een wankelende wereld’